groep1-2 groep3-4 groep5-6 groep7-8 contact onzeNieuweSite

Bewegingsonderwijs

Beginsituatie
  • Kinderen kunnen slaan met een knuppel;
  • Kinderen hebben een aantal vaardigheden met gooien en vangen;
  • Kinderen kunnen een beetje samenspelen in het veld.
Doel
  • Kinderen verhogen hun eigen niveau van het slaan met een knuppel;
  • Kinderen verhogen het niveau van het vangen en gooien;
  • Kinderen leren goed te kijken naar elkaar:
  • Kinderen leren snel te snel terwijl te toch met hindernissen te maken hebben;
  • Kinderen leren te letten op hun eigen veiligheid.
Inleiding

Warming up: Kinderen doen het namenspel. De kinderen rennen van de ene kant van de zaal naar de andere. Door de leerkracht wordt een naam van een leerling genoemd en deze leerling wordt de tikker. Als de kinderen aan de overkant zijn, wordt er een nieuwe naam genoemd en wordt dit kind tikker. De leerkracht stopt met het spel als hij ziet dat de kinderen moe zijn / worden.
Opstelling

Alles wordt door de leerlingen samen klaargezet. De leerkracht houdt hierbij het overzicht of iedereen mee helpt.

Kern

Slagbal met hindernissen.
Regels: 
- Er is een brander deze mag na elk rondje worden gewisseld. Het doel van de brander is om de bal zo snel in het brandvlak te laten vallen / stuiteren en STOP te roepen. Dan ligt het spel stil en mag er niet meer gelopen worden. Gebeurt dat wel dan is dat een strafpunt.
- Als een leerlingen een paaltje niet bereikt hebben voordat de brander het spel heeft gestopt krijgen ze een strafpunt.
- Vangbal telt alleen als de bal wordt gevangen als deze nog niet op de grond, tegen de muur of tegen het plafond is geweest.
- Slaghout moet in de hoepel liggen. Als dit niet is, moet desbetreffende speler hem in de hoepel leggen. Is deze speler dan niet op tijd bij het paaltje, krijgt de slagpartij er een strafpunt bij. 
- Je mag drie keer slaan derde slag fout toch lopen. 
- Bij het slaan moet de bal over de eerste blauwe lijn komen.
- Drie strafpunten (gaat dit te snel dan is het vijf strafpunten) of 3 vangballen is wisselen. Partij met de meeste punten wint.
- De partijen worden zo opgedeeld dat er zowel sterke als zwakke kinderen in n partij zitten. 
- Bij het slaan wordt er niet geruzied over wie er eerst mag slaan, is dit wel het geval dan zal de leerkracht in moeten grijpen en spelers nummers moeten geven voor de volgorde. Als je van tevoren denkt dat dit het geval zal zijn, kun je beter op een papiertje vast de groepen maken.

1. De kinderen moeten over de kast. Ze mogen zelf bepalen hoe.
2. De kinderen moeten over de stokken springen. Te makkelijk? Meer stokken. Te moeilijk? Minder stokken.
3. De banken staan haaks op elkaar hier moeten kinderen overheen zonder hun nek te breken.
4. Hoogte van de rekstok is 1.00 meter. De kinderen moeten hier onder door. 
5. Tussen de kegels moeten 2 passen worden gezet. 
6. Je kunt in plaats van kegels (als dit niet vlot loopt) ook blokken gebruiken waarover ze moeten lopen. 
Deze les is gemaakt door Jolanda Louwers.


Copyright 2000 - 2005 Lesidee. Alle rechten voorbehouden.